Kepler, of de plek die ooit hemel heette en die we nu ruimte noemen – een interview met Peter Missotten
Peter Missotten tekent voor scenografie en regie van Kepler, een nieuwe opera van de Amerikaanse componist Philip Glass. Kepler gaat in première in Linz op 20 september 2009 in het kader van Linz2009, culturele hoofdstad.
Opera is geen vreemd terrein voor Peter Missotten. Eerder al bedacht hij de scenografie van Der Fliegende Holländer (2005) en Rage d’Amours (2005), telkens in regie van Guy Cassiers; daarna ontwierp hij een verrassend scènebeeld met rondwentelende, parabolische projectieschermen voor L’avis de Tempête (2007), op muziek van Georges Aperghis die zelf instond voor de regie. Ook voor Schönbergs Gurrelieder (2007) in Bozar verzorgde Missotten – in opdracht van De Munt - de scenografie.
De ontwerpen van Peter Missotten zijn theatermachines waarin acteurs, zangers of muzikanten plaats nemen om er vervolgens binnen de grenzen en mogelijkheden van die machine hun rol te ontwikkelen. Hij creëert daarmee een reëel spanningsveld tussen wat vooraf gegeven is en wat zich ‘live’ ontwikkelt, tussen vorm en actie, tussen vorm en inhoud. Deze bouwwerken zijn soms solide, soms iel, maar altijd toont dergelijk bouwwerk ook de constructie ervan. Hoe een ruimtelijk dispositief gemaakt is, is fundamenteel onderdeel van wat het is. Theater is altijd meta-theater. Voor de gladde theaterillusie moet je niet bij Peter Missotten zijn, voor ingenieuze theatermachines die een relevant podium bieden voor muziek en tekst des te meer.
Voor Kepler, de creatie van een nieuwe opera van niet de minste onder de hedendaagse componisten, Philip Glass -
staat Missotten voor het eerst ook zelf in voor de regie.
We spreken met Peter Missotten aan het eind van de maand februari 2009. In de Bierbeekse Filmfabriek, waar Missotten zijn ateliers en woning heeft, galmen zes hoge stemmen door de luidsprekers, Philip Glass heeft Missotten net de demo toegestuurd van de muziek van deel één. De rest volgt.
Missotten: ‘Kepler is een poging om een meer abstracte opera te maken. De figuur van Johannes Kepler is daartoe een fijne aanleiding: de man heeft zijn hele leven gegeven aan de abstracte meetkunde, aan het bij elkaar rekenen van een perfect heelal. Tegelijk is het ook het verhaal van een mislukking: hij was op zoek naar het bewijs van de perfecte beweging van de planeten in volmaakte geometrische veelhoeken, met de zon pal in het midden en God als de grote beweger, maar bewijs daarvan kon hij niet vinden. Integendeel, hij ontdekte allerlei andere wetten die achteraf gezien fundamenteel zouden zijn voor ons inzicht in het heelal, maar die het punt dat hij wilde maken, tegenspraken. Zo kwam hij erachter dat de planeten niet in cirkelvorm bewegen, maar in ellipsvorm. Nu is de ellips is een heel eigenaardige vorm, met name een soort cirkel met twee middelpunten: in één middelpunt zit de zon, in het andere zit niks. En rond die twee punten draait de planeet. Kepler heeft zijn bevindingen heel lang zelf niet willen geloven, zo’n onevenwichtige vorm die ten dele rond ‘niks’ draait, daar viel voor een godsdienstig man als hij moeilijk mee te leven.’
- Waarom was die geometrische perfectie zo belangrijk?
Missotten: ‘Wat de kleuren zijn voor het oog, wat de klanken zijn voor het oor, dat is de geometrische perfectie voor ons verstand, dat is een uitspraak van Kepler die we ook gebruiken in het libretto. Op dat moment waren er zes planeten bekend, en Kepler was ervan overtuigd dat er verband was tussen de zes planeten en de zes platonische veelhoeken. Een platonische vorm is een driedimensioneel object dat symmetrisch is en dat bestaat uit gelijke vlakken die een aantal keer herhaald worden: een kubus, een driehoekige piramide, een dodecaëder... zijn zo’n platonische vormen bestaande uit perfect gelijke vlakken. Zo zijn er maar zes. Voor Kepler was dat het bewijs van het wiskundige masterplan achter het heelal. Hij heeft heel zijn leven vastgehouden aan die zes in elkaar genestelde vormen. En heel zijn leven berekende hij eigenlijk bewijzen van het tegendeel. Het grappige is dat het enige waartoe dit inzicht praktisch geleid heeft is de creatie van een soort cocktailbowl voor de keizer, maar dit geheel terzijde...’
- Wat trekt je het meest aan in de figuur van Kepler?
Missotten: ‘De mislukking in de zoektocht naar de perfectie is absoluut het meest fascinerende in die figuur van Kepler. The place we once called heaven, and now call space, dat is een zin die ik als ondertitel zou willen gebruiken, want het gaat in Kepler in wezen om de verschuiving van de perfecte gedachte die alles aanstuurt naar de onbezielde chaos die werkelijk aan de hand is.
Die mislukking fascineert me samen met het conflict tussen Keplers godsdienstige overtuiging en zijn wetenschappelijke bevindingen die hoegenaamd geen bewijsvoering bleken voor die godsdienstige inzichten. Dat is eigenlijk tragisch. We mogen ook niet vergeten dat Kepler middenin de Dertigjarige oorlog (1618-1648) leefde; het waren zeer woelige tijden, met bloedige conflicten tussen protestanten en katholieken. Kepler was Luthers, maar eigenlijk ook niet helemaal, hij schipperde heel vaak tussen de verschillende strekkingen. Hij heeft zowel voor katholieke als voor protestantse broodheren gewerkt. Dat leidde vaak tot conflicten waarna hij weer moest verhuizen en elders opnieuw beginnen.’
- Hoe willen jullie als team van librettist, componist en regisseur het personage van Kepler omzetten naar opera?
Missoten: ‘In de gesprekken met Glass gaat het steeds weer over die speurtocht naar de perfectie en de dubieuze vermenging tussen religie en meetkunde. Dat dwingt ons tot een nieuwe operadramaturgie, ‘de dramaturgie van de gedachte’: er is geen enkele dialoog, er is maar één echt personage. De uitspraken van dat personage worden gekaderd door gedichten over de Dertigjarige Oorlog door de Duitse auteur en tijdgenoot van Kepler, Gryphius. Daarnaast zijn er zes zangers – de zes planeten – en tenslotte is er ook een koor van veertig personen dat commentaar geeft. De Oostenrijkse schrijfster Martina Winkel, die het libretto heeft geschreven, heeft zich helemaal ingewerkt in leven en werk van al deze figuren en tijdgenoten van Kepler. Ze heeft hun uitspraken bijeengebracht in één lange stroom van gedachten, onderbroken door de gedichten van Gryphius. Die gedichten schetsen een modderpoelachtige wereld die zo donker en duister is als denkbaar, waar de hoofden van protestanten aan staken aan de kerken hingen, en waarin we tegelijk Kepler ’s nachts bezig zien met de beschrijvingen van de planeten. Ik vind dat zo’n mooi vluchtgedrag: dat iemand temidden van zoveel ellende de perfectie van de planeten en het heelal wil bewijzen. Wat me daarbij ook treft is dat we de nacht verloren zijn, de nacht, de sterren, de bewegingen van de planeten: vroeger verlieten de mensen zich ‘ s nachts op de koers van sterren en planeten. Die kan je nu niet meer zien. Dat zijn we door de lichtvervuiling kwijtgespeeld. Kepler gaat voor mij over licht, over ruimte en over de nacht. Daarvoor moeten we een vertaling vinden op de scène.’
- Kan je al een tipje van de sluiter oplichten?
Missotten: ‘Nee, eigenlijk is het daarvoor nog te vroeg. Wat ik nu al weet is dat we heel veel met lichtobjecten willen werken, en met kostuums (ontworpen door Karel Van Laere) waarop we beelden projecteren van binnenuit. Het idee is dat projectie altijd vanuit de aarde naar de hemelen gaat. Want dat is toch eigenlijk wat er gebeurt: de hemellichamen gaan gewoon voort op hun eigen ritme en de mens projecteert daarop allerlei inzichten en gedachten. Het idee nu is dat de hele vloer gaat ‘vliegen’; daarmee krijg je op de grond een soort brute technische wereld, die iets heeft van oorlog en woestenij, een beeld voor wat technologie op de lange termijn met de aarde aanricht. Geen proper en mooi decor dus, maar een wirwar van kabels en ‘brol’, wat me waarschijnlijk wel wat gevechten met het instituut ‘opera’ zal opleveren.’
- Hoe verhoudt zich dat tot de perfectie?
Missotten: ‘Het gaat erom dat het brute en het perfecte tegen elkaar aanschuren, dat je ziet hoe beide gemaakt worden. Dat alles samen moet één perfect beeld opleveren, één beeld in de lucht dat dan meteen een religieus beeld is. Dat aspect heeft me altijd al gefascineerd en vind je ook in mijn ander werk terug. ‘
- Kijk je erg uit naar het feit dat je voor Kepler ook de regie van de zangers voor je rekening neemt?
Missotten: ‘Dat is spannend en tegelijk ook een beetje beangstigend. Het mooie en tegelijk het problematische aan het libretto is dat het zo vrij is; er gaat van de tekst zelf geen enkele dramatische impuls uit, je moet er zelf een evolutie in aanbrengen via de dramaturgie. Ik inspireer me op dit moment heel erg op de Draculafilms: deze creaturen van de nacht hebben in de films van Murnau, Dreier en Coppola bijvoorbeeld een heel eigen bewegingsrepertoire, typische verschijningsvormen en manieren om te evolueren doorheen het script. Ik gebruik dat soort van inspiratie bij de regie van de zangers. Het is een soort dramaturgisch houvast voor de zangers, los van de tekst want die tekst is vaak zeer abstract.’
Kepler, première 20 september 2009
Compositie Philip Glass / Libretto Martina Winkel / Dirigent Dennis Russell Davies / Regie & scenografie Peter Missotten / Conceptadvies Klaus-Peter Kehr / Kostuums Karel Van Laere / Orkest Bruckner Orkest / coproductie Landestheater Linz
INSERT PHLIP GLASS
Philip Glass (1937) is op zijn eenenzeventigste nog steeds een globetrotter die schijnbaar moeiteloos switcht tussen opera en film, concertzaal en theater. Na zijn muziekopleiding aan de Julliard School in New York, trekt hij naar Parijs waar hij les krijgt van de legendarische Nadia Boulanger. Daar exploreert hij ook minder evidente muzikale genres; hij werkt er intensief samen met Ravi Shankar en de Indische tabla speler Allah Rakha. Deze muziek, en dan vooral de uiterst gestructureerde aanpak van ritme, zal Glass’ eigen werk erg beïnvloeden.
Terug in New York begint hij composities te schrijven voor het Philip Glass Ensemble. Voor de nieuwe muzikale stijl die hij ontwikkelt valt al snel de term ‘minimalisme’; Glass noemt zichzelf liever ‘componist van muziek met repetitieve structuren’. Veel van zijn vroege werk is alleszins gebaseerd op uitgesponnen herhalingen van korte, elegante, melodische fragmenten. Deze vormen samen een grote geluidsgolf die de luisteraar omhult, meesleept en verrast.
Misschien wel het meest baanbrekende werk van Glass is Einstein, een opera die hij in 1976 schrijft. Dit werkstuk breekt met ongeveer alle heersende regels van opera: Einstein duurde vijf uur zonder pauze, het publiek kon binnen en buiten wandelen; er was geen plot, in plaats daarvan presenteerden Glass en regisseur Bob Wilson een poëtische blik op de erfenis van wetenschapper en amateur-muzikant Albert Einstein. Sinds Einstein heeft Glass meer dan twintig opera’s geschreven, acht symfonieën, vele concerto’s, en ook filmmuziek waarvan de muziek voor The Hours misschien wel het meest bekende recente werk is.
INSERT JOHANNES KEPLER
De Duitse sterrenkundige Johannes Kepler leefde van 1571 tot 1630. Hij was een voorvechter van het heliocentrische wereldbeeld. Dat is het wereldbeeld waarin de zon in het centrum van het zonnestelsel staat en de planeten om de zon bewegen. In 1596 publiceerde hij zijn boek Prodromus dissertationum Cosmopraphicarum contines Mysterium Cosmographicum. Door dit boek kregen veel Europese astronomen voor hem belangstelling en speciaal de Deense sterrenkundige Tycho Brahe (1546-1601) die zijn leven gewijd had aan het doen van nauwkeurige waarnemingen.
Kepler was overtuigd van het bestaan van een mathematische harmonie in het planetenstelsel. De Schepper had zich, in zijn overtuiging, laten leiden door wiskundige wetmatigheden. Het was de taak van de mathematicus-astronoom deze wetmatigheden te doorgronden. Op verzoek van Tycho Brahe reisde hij in het jaar 1600 naar Praag om zijn assistent te worden. Om godsdienstige redenen was Tycho Brahe uitgeweken naar Praag. Niet lang na Keplers' aankomst in Praag overleed Brahe in 1601 in duistere omstandigheden. Na diens dood werd Kepler tot zijn opvolger en keizerlijk wiskundige benoemd en kreeg hij de zorg opgedragen voor de wetenschappelijke nalatenschap van Brahe.
Kepler zelf was erg bijziend en heeft dus weinig sterren zelf gezien. Maar dankzij de nauwkeurige waarnemingen van Tycho Brahe was Kepler in staat drie wetten op te stellen: ten eerste, een planeet beschrijft een ellips om de zon, die zich in een van de brandpunten van deze ellips bevindt. Ten tweede, de voerstraal (d.i. een denkbeeldige lijn tussen het middelpunt van de zon en dat van een planeet) van de zon naar de planeet beschrijft in gelijke tijden gelijke oppervlakken. Dit onderzoek publiceerde hij in zijn Astronomia nova dat in 1609 verscheen. Inmiddels had hij andere twee werken gepubliceerd, o.m; een op het gebied van de optica.
Van 1612 tot 1626 woonde Kepler in Linz. Hij was daar gewestelijk mathematicus. In Linz schreef hij in 1618 onder meer Epitome astronomae Copernicanae (over de Copernicaanse astronomie), en in 1619 Harmonice mundi, een werk over de harmonie in het planetenstelsel. In dit werk werd ook de derde naar hem genoemde wet uitgesproken: de derde machten van de halve grote assen van de banen der planeten verhouden zich als de kwadraten van hun omlooptijden in jaren. Met zijn werk legt Kepler de wiskundige bais voor wat later - onder Isaac Newton - de leer van de zwaartekracht zal worden.
In 1626 verhuisde Kepler naar Ulm waar hij zijn astronomische tafels liet drukken die in 1627 verschenen onder de titel Tabulae Rudolphinae. In 1630 reisde hij naar Regensburg om aan te dringen op betaling van zijn grote tegoeden bij de keizerlijke kas, doch hij overleed daar ziek en uitgeput, vlak na zijn aankomst.
met dank aan www.sterrenkunde.nl